Vogels

Informatie over de Kerkuil

Kerkuil

Kerkuil

De kerkuil is een geruisloze nachtelijke jager. Zijn gehoor is zo goed ontwikkeld, dat hij ook in complete duisternis de plaats van zijn prooidier exact kan bepalen.

Klimaatveranderingen in het noordelijke deel van het verspreidingsgebied van de kerkuil hebben ertoe geleid dat er in de winter langere tijd sneeuw ligt. Ruigere weersomstandigheden zijn een van de oorzaken van een verder teruglopen van hun aantal.



 

Soortbescherming

In de meeste landen van Europa staat de kerkuil onder bescherming; toch is zijn voortbestaan niet verzekerd, zodat er beschermende maatregelen nodig zijn. Landbouwers zouden delen van hun land onbebouwd moeten laten om knaagdieren te lokken. Kerkuilen verstoppen zich graag in hoeken en gaten van de dakconstructie van een huis of een kerk. Deze plekjes moeten ook met rust gelaten worden.

Voedsel en jacht

Hoewel kerkuilen paartjes vormen voor het leven, jagen ze toch in hun eentje. Hun gezichtsvermogen is er speciaal op berekend om bewegingen op de grond waar te nemen. Hun ogen zijn met speciale, extra lichtgevoelige cellen uitgerust. De cilindrische vorm van de ogen maakt dat kerkuilen bijna telescopisch kunnen zien. In donkere nachten vertrouwt de kerkuil volledig op zijn gehoor. Als hij zijn prooi eenmaal heeft gelokaliseerd, zweeft hij zachtjes op zijn slachtoffer af en grijpt hem met zijn lange klauwen. Aangezien een kerkuil een dicht verenkleed heeft, worden de vlieggeluiden gedempt en merkt het prooidier zijn nadering niet. Het hoofdvoedsel van de kerkuil vormen woelmuizen, echte muizen en spitsmuizen. Hij vangt echter ook andere kleine zoogdieren tot de grootte van een rat, kleine vliegende vogels en vleermuizen. Maar zelden grijpt hij kikkers en insecten. Nadat de uil zijn buit heeft gevangen, neemt hij hem mee naar zijn beste eetplek.

Leefomgeving

Kerkuilen hebben een voorkeur voor een warm klimaat met een milde winter. Ze hebben geen aanleg om een vetreserve aan te leggen om in een harde winter te kunnen overleven, zoals veel andere vogels wel kunnen. Vele sterven dan ook tijdens vorstperioden of te zijn uitgeput om nog te gaan broeden als het lente wordt. Kerkuilen leven voornamelijk in kerken, schuren en bouwvallen. Kerkuilen zoeken echter altijd de buurt van akkers om op te jagen. Tot vijftig jaar geleden waren de oude boerenhoeven de ideale broedplaatsen voor kerkuilen. Schuren vol met los, ongedorst graan lokte knaagdieren aan, watvoor kerkuilen natuurlijk weer een goede voedselbron betekende. In de buurt gelegen struikgewas envelden herbergen woel- en andere muizen.

Voortplanting

Omdat kerkuilen gemiddeld in het wild maar een jaar of twee leven, lukt het vaak maar een of twee keer te broeden. Ze vormen paartjes voorhet leven en gebruiken in het algemeen nestelplaatsen die al decennia lang door kerkuilen worden gebruikt. Toch voert het mannetje iedere keer weer zijn krijsende baltsritueel op om het vrouwtje de weg naar de nestelplaats te wijzen. Het paar bouwt geen nest; in plaats daarvan worden de 4-7 volledige witte eieren in een donker hoekje van een gebouw gelegd. Meestal wordt het legsel omgeven door een hoeveelheid dons. De eieren worden om de twee dagen gelegd. Het vrouwtje bebroedt ze, terwijl het mannetje voor voedsel zorgt. Omdat de jongen niet allemaal tegelijk uitkomen, hoeven de ouders ze niet allemaal te voeren. De kleine uilen worden steeds brutaler en gaan aan de ingang van het nest zitten. Met 60 dagen zijn ze helemaal zelfstandig.

Veldwaarnemingen

Aangezien kerkuilen tamelijk zeldzaam en bovendien nachtdieren zijn, is het eenvoudiger om hun sporen dan hun aanwezigheid zelf te ontdekken. Uileballen zijn een voorbeeld van dergelijke sporen. In deze braakballen zitten onverteerbare resten van huis, haren, botten, tanden, klauwen, snavels, schedels en dekschilden (van insecten). Elke dag braakt hij twee uileballen uit. Als men een uilebal enig tijd het water weekt, kan men met een pincet alles uit elkaar pluizen en deharen en botjes van elkaar scheiden die in de maag van de uil niet verteerd werden. Om precies te ontdekken wat de uil gegeten heeft, kan men aan de hand van de schedelresten, met name de kiezen, vaststellen tot welk soort de prooidieren behoord hebben.



Groepen:

Orde: Uilen

Familie: Kerkuilen

Geslacht & Soort: Tyto alba

Afmetingen:

Lengte: 33-36 cm

Vleugellengte: 29 cm ( gemiddeld in Europa)

Verspreiding:

Kerkuilen leven in elk werelddeel behalve in poolstreken

Voortplanting:

Geslachtsrijp: met een jaar

Broedgedrag: de balts begint in maart; paarvorming voor het leven

Legsel: 4-7eieren, soms 2 broedsels per jaar

Nestverblijf: 60 dagen

Leefwijze:

Gedrag: solitair

Voedsel: voornamelijk muizen, woel- en spitsmuizen; ook ratten, kleine vogels en vleermuizen, kikkers en insecten

Geluid: krijsen, snurkend ‘chruuh’

Levensverwachting: ongeveer 2 jaar

Verwante soorten:

De kerkuilenfamilie omvat in totaal 9 soorten. De kerkuil T. Alba heeft 36 ondersoorten.

Tags

Plaats comment

Klik hier om een comment te posten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *