Vissen

Informatie over de Meerval

Meerval

De meerval is een zoetwatervis die ’s nachts de bodemlaag van rivieren en de ondiepe plaatsen lang de oevers van zijn jachtgronden afstruint op zoek naar voedsel. Hij vormt een gevaar voor alle kleinere vissen.

Leefwijze

De meerval leeft voornamelijk in langzaam stromende rivieren en meren met troebel water. Hij gaat vooral ’s nachts op jacht en blijft overdag in de bescherming van overhangende of begroeide oevers, of op de modderige bodem.      Hij is van nature een trage zwemmer en blijft het liefst in dezelfde houding liggen. Hij kan niet springen, hoewel hij af en toe dicht onder het wateroppervlak komt. Hoewel hij normaal gesproken solitair in een groot gebied leeft, vormt hij een territorium dat hij verdedigt. in voedselrijke wateren kunnen soms echter meerdere meervallen in een beperkt gebied leven.

Voedsel en jacht

Op zijn nachtelijke rooftochten jaagt een volwassen meerval vooral op levende vissen, waarbij hij soms ook de jongen van zijn eigen soort opeet. Hij gebruikt zijn lange baardraden om in de zachte, modderige ondergrond ongewervelde dieren te zoeken. Zijn hoofdvoedsel bestaat uit vissen, maar hij eet ook wel woelratten, jonge eenden, kikkers en rivierkreeften. Soms duikt hij op om zwemmende prooidieren zoals amfibieën, vogels en zelfs kleine zoogdieren te pakken. De meerval eet ook weleens aas. Hengelaars gebruiken dan  ook konijnenvlees, lever of inktvis als ze een meerval willen vangen.

Voorplanting

De paaitijd van de meerval loopt van mei tot juli. het mannetje maakt met zijn neus een ondiepe kuil waarin het vrouwtje haar eieren legt, die worden afgezet onder uitgestrekte tapijten van waterplanten op de rivier- of meerbodem. Afhankelijk van de lichaamsgrootte worden 100.000 tot 370.000 eieren gelegd. Het mannetje bewaakt ze gedurende 2-4 dagen tot het moment dat de jongen uitkomen. De zwart, kikkervisachtige jonge vissen worden daarna aan hun lot overgelaten. Ze voeden zich voornamelijk met piepkleine ongewervelde diertjes en gaan later over op grote prooidieren.

De meerval en de mens

In Oost-Europa worden veel meervallen gegeten. De vangst en verwerking bieden veel mensen werk. De vissen worden gewoonlijk met uitgezette netten, grote visvallen, of lange, met lood verzwaarde hengelsnoeren gevangen.     In sommige gebieden worden meervallen met succes gekweekt; door hun aangeboren traagheid leven ze heel tevreden in een omgeving waar voldoende voedsel is. Onder die omstandigheden groeit de vis duidelijk sneller, waardoor hij ook eerder verkocht kan worden. Ook bij sportvissers zijn meervallen door hun indrukwekkende lengte en gewicht nogal geliefd.

Belangrijke kenmerken

Afmetingen

Lengte: gemiddeld 1,5 m, bij uitzondering zelfs 3-5 m

Gewicht: gemiddeld circa 100 kg, soms zelfs tot 300 kg.

Voortplanting

Geslachtsrijp: met 4-5 jaar

Paaitijd: mei tot juli

Aantal eieren: 100.000 tot 370.000

Ontwikkelingsduur: 2-4 dagen

Leefwijze

Gedrag: solitair, ’s nachts actief

Voedsel: vissen, kleine zoogdieren, reptielen en vogels

Levensverwachting: ongeveer 15 jaar

Verwante soorten

De enige andere meerval die oorspronkelijk in Europa thuishoort, is de aristoteles-meerval, silurus aristotelis, die alleen in Griekeland voorkomt. Deze is kleiner, heeft slechts 2 paar baarddraden en kan tot 2 m lang en 150 kg zwaar worden.

Verspreiding

Vroeger trof men meervallen alleen in de rivieren en meren van Oost-Europa aan, maar tegenwoordig heeft de meeval zijn verspreidingsgebied uitgebreid tot Zuid-Engeland en Frankrijk. Men treft hem ook aan in het brakke water van de Oostzee en de Kaspische Zee.

Soortbescherming

Sportvissers behoren alle jonge meervallen die ze vangen, levend in het water terug te zetten. Dit is een maatregel die ertoe bijdraagt dat de populatie enigszins stabiel blijft.

Specifieke kenmerken van de meerval

Baardraden:

één paar lange baarddraden aan de bovenkaak die worden gebruikt om voedsel op te sporen; een dubbel paar baarddraden aan de onderkaak is veel korter.

Kop:

Plat, met een brede bek en regelmatige rijen van hekelvormige tanden waarmee de prooi in de grote kaken wordt vastgehouden.

Rugvin:

Zeer klein voor zo’n grote vis; slechts 4-5 vinstralen (stekels die de huid van de vin ondersteunen).

Huid:

Zonder schubben, waardoor deze groep van meervalachtigen ook wel ‘naakte meervallen’ wordt genoemd.

 

Plaats comment

Klik hier om een comment te posten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *