Vogels

Informatie over de Papegaaiduiker

Papegaaiduiker

Papegaaiduiker

De papegaaiduiker spreidt zijn poten uit om af te remmen, vlak voordat hij met een snavel vol visjes voor zijn kroost zal neerstrijken. Deze vogel voelt zich op volle zee thuis, maar zoekt jaarlijks de Noordatlantische rotseilanden op om er te broeden.

Leefomgeving

De papegaaiduiker bewoont het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee, van de Canadese kust tot Nova-Zembla. In de voortplantingstijd wordt er zuidwaarts tot in Bretagne gebroed.


In de winter kan de soort echter de 25ste breedtegraad bereiken. Of de papegaaiduiker nu op het land voor nageslacht zorgt of zich in volle zee bevindt, zijn aanwezigheid wordt bepaald door het in voldoende mate aanwezig zijn van vissen van een bepaald formaat. Omstandigheden zal zeestromingen, watertemperatuur en de rijkdom aan plankton spelen dus indirect een rol bij de verspreiding van de papegaaiduiker.

De zee is zijn domein

Zoals alle alkachtigen verdeelt de papegaaiduiker zijn bestaan over twee leefmilieus die enorm van elkaar verschillen, maar tegelijkertijd elkaar aanvullen, namelijk de zee en de rotskust. Het grootste deel van de tijd wordt op zee doorgebracht: het volwassen dier verblijft er 7 maanden per jaar, zonder ooit de vaste wal op te zoeken. Gedurende de 5 andere maanden brengt hij nog het grootste deel van zijn tijd op de oceaan door, hetzij met rusten, hetzij met het vangen van voedsel voor zichzelf of voor zijn jong. De papegaaiduiker is zó afhankelijk van het zeemilieu, dat hij slechts bij uitzondering in het binnenland wordt aangetroffen. Het betreft dan meestal vogels die in noodweer verdwaalt zijn geraakt. Vooral in de herfst worden ze soms door zware stormen landinwaarts gedreven. Deze ongelukkige vogels zijn vrijwel ten dode opgeschreven, omdat ze half verhongerd en geheel van slag zijn door hun avontuur.

Broedplaats met zorg gekozen

Het vasteland is niet alleen onmisbaar voor de voortplanting, maar speelt ook een fundamentele rol in andere levensfasen van de soort. De broedplaatsen worden op de rotskust ingenomen, in de buurt van rijke visgronden doe het voedsel van de jongen kunnen leveren. Ook is het van belang dat de broedplaatsen aan de zeezijde liggen, zodat de rust- en visgebieden snel kunnen worden bereikt. Daarom vestigen kolonies zich ook zelden diep in een zeearm of,indien er op een eiland wordt gebroed, aan de kustzijde die is afgekeerd van open zee. Niet alle kustsoorten zijn voor deze vogelsoort geschikt. Zo biedt een laag zandstrand geen enkele vestigingsmogelijkheid voor de papegaaiduiker. Het liefste heeft hij steile rotskust, wan welke hoogte dan ook. De aanwezigheid op de steile rots van een laag zachte grond, waarin het paar zijn hol kan uitgraven, is een zeer belangrijk element. Deze aardlagen zijn zelfs van een afstand gemakkelijk te herkennen, namelijk aan de mate waarin ze bedekt zijn met kort, dicht, lichtgroen gras, dat kenmerkend is voor de rotskusten op gemiddelde en hoge breedte. Deze grasmat is ecologisch van grote waarde, want hij voorkomt erosie van de relatief dunne aardlagen waarin de papegaaiduiker, maar ook andere zeevogels, hun broedholen graven. De planten waaruit de mat bestaat zijn aangepast aan de bijzondere omstandigheden die in de directe zee heersen. Ze zijn bestand tegen de met zoutdeeltjes beladen, opspattende branding, hebben een dicht wortelgestel waarmee ze stevig in de grond zitten en ze blijven laag, waardoor de vaak krachtige wind geen vat op hen heeft.

Waar de rotsen niet door een dergelijke aardlaag wordt bedekt, maakt de papegaaiduiker zijn nest op de bodem van een natuurlijke holte of in een ruimte die ontstaan is door een opeenstapeling van rotsblokken.

Bijzondere kenmerken

Ogen

In het voorjaar vertoont de geslachtrijpe papegaaiduiker donker gekleurde, verhoornde uitgroeisels, waarvan er zich één boven en één onder het oog bevindt. Het oog is rood omrand en beschikt over een derde ooglid, het knipvlies, dat doorzichtig is. Dit opent en sluit zich van voor naar achter in een horizontale vlak. Het vlies heeft als taak het oog tijdens het duiken te beschermen.

Uitgroeisels

Bij de nadering van het broedseizoen wordt het oog toegerust met twee merkwaardige uitgroeisels. Deze uitwassen zien er vlezig uit, maar bestaan in feite uit hetzelfde hoornachtige materiaal als waaruit de nagels en de snavel zijn opgebouwd. Het bovenste plakkaat is driehoekig, terwijl dat aan de onderkant van het oog rechthoekig of vrijwel rechthoekig is. Beide dragen ze bij aan de zo karakteristieke gezichtsuitdrukking van de papegaaiduiker.

Snavel

Vlak voordat de baltsperiode aanbreekt, wordt de snavel bedekt met een verhoornde schede. De levendige kleuren hiervan zijn belangrijke seksuele signalen. In de herfst raakt de hoornschede los en valt af. De snavel is dan veel kleiner, maar vertoont nog wel dezelfde, zij het veel valere, kleurtekening.

Poten

De papegaaiduiker heeft slechts drie tenen, die door zwemvliezen met elkaar zijn verbonden. Ze eindigen in korte, gebogen, sterke nagels, die dienen als graafinstrumenten. In vlucht compenseren de zwemvliezen het geringe formaat van de staart: bij het afremmen spreidt de vogel zijn poten uit om weerstand te bieden aan de lucht. Onder water hebben de poten geen taak bij de voortbeweging, die aan de vleugels wordt overgelaten, maar dienen ze om mee te sturen.



Groepen:

Orde: Pleviervogels

Familie: Alkachtigen

Geslacht&soort: Fratercula arctica

Afmetingen:

Vleugelspanning: 47-62 cm

Gewicht: 305-675 gram

Voorplanting:

Geslachtsrijp: Meestal na 5 jaar

Broedtijd: Van eind maart tot begin september

Broedduur: 39 dagen

Aantal jongen: 1 Gewicht ei: gemiddeld 62 gram

Leefwijze:

Woongebied: Noord-Atlantisch gebied

Biotoop: Rotskusten en volle zee

Voedingsgewoonte: Hoofdzakelijk viseter

Maximum leeftijd: 21 jaar (geregistreerd record)

Verwante soorten:

Er zijn verschillende ondersoorten, die alle met elkaar kruisen. Hoewel het alleen de grootte betreft, zijn de verschillen soms aanzienlijk en op het oog te constateren. Fratercula arctica arctica leeft op IJsland en in het midden en noorden van Noorwegen, het zuiden van Nova-Zembla, het zuidwesten van Groenland en het oosten van Noord-Amerika. Fratercula arctica grabae is kleiner. De lengte van de gesloten vleugel varieert van 15,7 tot 16,8 cm. Deze komt voor op de Britse eilanden, in Frankrijk en in Zuid-Noorwegen. Fratercula arctica naumanni is de grootste, met een gemiddelde lengte van de gesloten vleugel van 18,3 cm. Deze bewoont het oosten en noordwesten van Groenland, Spitsbergen en het noorden van Nova-Zembla.

Plaats comment

Klik hier om een comment te posten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *