Vogels

Informatie over de Pimpelmees

Pimpelmees

Pimpelmees

De pimpelmees is bij ons zeer geliefd om zijn vrijmoedigheid en zijn acrobatische toeren. Hij is een nieuwschierige bewoner van onze bossen, tuinen en parken en heeft een groot weerstandsvermogen. Zijn helder blauwe en gele verenkleed en zijn gewoonte onze tuinen te bezoeken en zich daar te goed te doen aan vogelvoer, heeft de pimpelmees tot een van onze meest geliefde en bekendste inheemse vogels gemaakt.

Soortbescherming

De soort wordt niet bedreigd hoewel het aantal in de afgelopen 40 jaar door het kappen van bossen waarschijnlijk wel is afgenomen.



Voedsel en voedingsgewoonte

De pimpelmezen voeden zich s’ zomers voornamelijk met insecten die ze uit het loof wegpikken. Tijdens het groot brengen van de jongen zijn grote hoeveelheden rupsen die laat in de lente en in de zomer op eikenbomen zitten, het hoofdvoedsel. Wie in de winter gewend is vogelvoer te strooien, zal daar in het voorjaar mee moeten stoppen om de vogels te dwingen zelf weer op voedseltocht uit te gaan. In de herfst zijn vlierbessen, beukenootjes en meidoornbessen de belangrijkste voedselbronnen. Behalve noten en vetten die in vogelvoer zitten dat kant en klaar voor mezen bestemd is, bestaat hun hoofdvoedsel uit zaden. In de winter pikken pimpelmezen overal rond en hakken korstmossen en stukjes schors weg op zoek naar insecten die daaronder verborgen kunnen zitten.

Leefomgeving

De Pimpelmees is inheems in bijna alle loofbossen en gemengde bossen van Midden-Europa. Beduidend minder zijn te vinden in naaldbossen waar voor hen minder voedsel te vinden is. In het voorjaar en de zomer mijden ze jonge bosgebieden omdat de bomen daar nog te klein zijn om goede nestholtes te bieden. In de herfst en winter zijn ze zowel in jonge en oude bossen te vinden als in opslag van riet en kreupelhout. In deze jaargetijden vormen zij met andere mezensoorten vaak grote los vaste groepen die op zoek naar voedsel door de bossen trekken. Het grote aantal geeft hen veel meer bescherming tegen aanvallen van roofvogels zoals de sperwer. Ze verschijnen op hun voedseltochten vaak in tuinen; hier broeden ze ook in nestkastjes.

Voortplanting

Vrij vroeg in het voorjaar, ongeveer vanaf februari, beginnen pimpelmezen te zoeken naar een geschikt plekje om te nestelen. Dit zijn kleine holtes of spleten in bomen en andere plaatsen, die op een hoogte tot ongeveer 15 meter liggen. Het mannetje en het vrouwtje zoeken allebei naar een goed nestholletje, maar als het mannetje meent een goed holletje gevonden te hebben, lokt hij het vrouwtje met vleugel geklapper en een lokroep. Vervolgens slipt hij door het vlieggat het nestholletje binnen en roept opnieuw, in de hoop dat het vrouwtje hem wil volgen en het plekje goed zal keuren. Het vrouwtje wijst vaak eerst enkele nestplaatsen af voordat ze er eentje goed genoeg vindt. Het vrouwtje bouwt in haar eentje het nest; ze sleept hiervoor mos en andere materialen naar de nestplaats. Met haar borst schuift ze net zolang de bouwstoffen opzij tot het nest de typische napvorm heeft gekregen. Tot slot bekleedt ze haar nest met veertjes.

Pimpelmezen leggen 7 tot 13 eieren. Tijdens de leg en de broedperiode verdedigt het mannetje het gebied rond de nestplaats en de voedselbronnen die dienen voor de volwassen vogels en later voor de jongen, tegen andere pimpelmezen. Hij voorziet ook het vrouwtje van voedsel. Zo komt zij tijdens het broeden niets te kort. Op het moment dat de jongen uit het ei komen is er genoeg voedsel te vinden. Ze blijven ongeveer 2 tot 3 weken in het nest en worden gedurende die periode door beide ouders hoofdzakelijk met groene rupsen gevoerd.

Veldwaarnemingen

Deze bedrijvige vogel is niet erg schuw, zodat hij goed van dichtbij te bekijken is. Het beste jaargetijde hiervoor is de winter. Dan zijn de pimpelmezen gemakkelijk de tuin in te lokken met speciaal vogelvoer, bijvoorbeeld netten met noten. In de zomer mogen de pimpelmezen vooral niet gevoerd worden omdat dan de jongen om kunnen komen door voedsel dat ze niet verteren kunnen. Pimpelmezen broeden ook graag in nestkastjes die voor hen zijn opgehangen, als de ingang maar klein genoeg is.



Groepen:

Orde: Zangvogels

Familie: Mezen

Geslacht & Soort: Parus caeruleus

Afmetingen:

Lengte: 11,5 cm

Gewicht: 9-10 g

Verspreiding:

Overal in Europa in bossen en rond nederzettingen, van Zuid-Scandinavie tot westelijk van Moskou; ook in het noorden van Noord- Afrika.

Voorplanting:

Broedtijd: april tot juni

Legsel: gewoonlijk 7-13 witte eieren met licht bruine of roodachtige vlekjes

Aantal broedsels: 1-2

Broedduur: 13-14 dagen

Nestverblijf: 2-3 weken

Leefwijze:

Gedrag: sociaal en nieuwschierig; vormen ’s winters losse groepen

Voedsel: in voorjaar en zomer insecten en spinnen; ook zaden en vruchten

Levensverwachting: de oudst bekende vogel werd 15 jaar

Verwante soorten:

De mezen-familie omvat 46 soorten, die in Europa, Azie, Afrika en Noord-Amerika te vinden zijn in bossen en kreupelhout.

Plaats comment

Klik hier om een comment te posten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *