Mandril

De mandril hoort tot de bedreigde diersoorten door verlies aan leefgebieden en een intensieve jacht ter wille van de consumptie en verkoop aan dierentuinen. Er moeten hoognodig bosreservaten voor deze diersoort worden ingericht.

Voedsel en voedingsgewoonte

Mandrils eten vruchten, bladeren, zaden, insecten, eieren en kleine zoogdieren. Onder aanvoering van het volwassen mannetje, dat bepaalt waar voedsel gezocht wordt, gaat de groep er vlak na zonsopgang op uit.

Het meeste voedsel vinden ze op de grond onder stenen en bij het uitzoeken van bladeren en andere vegetatie. De vingers en duim van de hand werken net als bij de mens en andere apen, uitstekend gecoördineerd bij het graven, uitzoeken en klaarmaken van voedsel, en bij het in de mond steken. Ze plukken de vruchten van de bomen als ze rijp zijn. In die periode bevinden veel groepen mandrils en andere apensoorten zich in de bomen. De mandrils weten in hun eigen gebied precies welk soort voedsel ieder jaargetijde biedt.

Gedrag mandril

Mandrils zijn even sociaal als alle andere baviaanachtigen. Ze leven in groepen van 15 tot 200 dieren. In de droge periode zijn de groepen groter doordat een aantal kleinere groepen zich samen voegen. Een groep bestaat uit ten minste een volwassen mannetje, ongeveer vijf volwassen vrouwtjes en hun jongen. De andere mannetjes leven in hun eentje. Tussen volwassen mannetjes wordt vrijwel zeker gevochten om het leiderschap van een groep. Het grootste gedeelte van de dag wordt doorgebracht met het zoeken naar voedsel in het bos.

Geluiden

Het bos schalt van hun lawaai, want tijdens hun voedseltochten maken ze voortdurend verschillende grommende en schreeuwende geluiden om onderling contact te houden en elkaar te waarschuwen bij gevaar, bijvoorbeeld als er een luipaard in de buurt komt. Op gezette tijden lassen ze rustpauzes in. Dan houden de volwassen dieren zich bezig met de verzorging van de vacht en kunnen de jongen een poosje met elkaar ravotten.

Voortplanting mandril

In iedere groep is meestal het leidende mannetje dat met de vrouwtjes van zijn harem paart. Hij paart met ieder vrouwtje dat paringsbereid is, wat duidelijk zichtbaar is aan de gezwollen gedeelte rond de staart van het vrouwtje. Na zeveneneenhalve maand komt het jong ter wereld. Het wordt door de moeder gezoogd en overal mee naar toe genomen, waarbij het jong zich vastklemt aan de borst van de moeder. Geleidelijk aan begint het jong zijn omgeving te verkennen en met andere jongen uit de groep te spelen. Mannetjes zijn aanvankelijk donker, maar als ze volwassen worden, krijgen ze de felle, scharlakenrode en violette kleuren. Vrouwtjes mogen als ze volwassen zijn worden, binnen de groep blijven, maar de volwassen geworden mannetjes worden door de leider uit de groep verdreven. De opvallende kleuren van het aangezicht en achterwerk maken het mannetje van de mandril veel angstaanjagender dan hij in werkelijkheid is. De mandril leeft op de grond in de dichte regenwouden van West en Centraal Afrika. Hij is een van de grootste baviaanachtigen. Alleen de mannetjes hebben de in het oog springende kleuren die zo typisch zijn voor deze diersoort.

Groepen:

  • Orde: Primaten
  • Familie: Hondskopapen
  • Geslacht & Soort: Papio sphinx

Afmetingen:

  • Grootte: kop en romp 70-95 cm
  • Staartlengte: 7-19 cm
  • Gewicht: mannetje meestal 20-30 kg; vrouwtje is maar half zo groot en zwaar

Verspreiding:

In beboste gebieden van westelijk Centraal-Afrika, in Zuid-Kameroen, Gabon en Congo.

Voorplanting:

  • Geslachtsrijp: op zijn vroegst met 4 jaar
  • Paartijd: vrouwtje eens in de 33 dagen vruchtbaar
  • Draagtijd: 30 weken Aantal jongen: 1

Leefwijze:

  • Gedrag: sociaal, overdag actief
  • Geluid: 3 verschillende roepen
  • Voedsel: planten, vruchten, wortels, zaadkorrels, insecten, kleine zoogdieren
  • Levensverwachting: in gevangenschap tot 46 jaar

Verwante soorten van de mandril:

Zeven bavianensoorten, die in twee geslachten worden ingedeeld. Een zeer nauwe verwant is de dril, Papio leucophaeus.

Bron afbeelding: Pixabay