Sneeuwuil

De sneeuwuil is een van de grootste en sterkste uilensoorten. In zijn leefgebied, de arctische toendra en de Scandinavische hoog gelegen heidegebieden, gaat hij meestal in de schemering en overdag op jacht.

De sneeuwuil leeft hoofdzakelijk van lemmingen. Het kan voorkomen dat de sneeuwuil op zoek naar voedsel naar het zuiden trekt, als er nog maar weinig lemmingen in de toendra verblijven en de arctische winter zeer streng is.

Soortbescherming

Hoewel de sneeuwuil in Scandinavië beschermd is, schijnt zijn aantal de laatste tientallen jaren gestaag af te nemen. Hun aantal is moeilijk te schatten, omdat hun bestanden, afhankelijk van de dichtheid van de lemmingen, sterk schommelen.

Voedsel en jacht

In het arctische gebied voedt de sneeuwuil zich voornamelijk met lemmingen. Maar soms maakt hij meer jacht op sneeuwhazen en vogels, zoals sneeuwhoenders en meeuwen. In tegenstelling tot andere uilen, jaagt hij niet ‘s nachts. Hij jaagt daarentegen meer overdag naar prooidieren, bij voorkeur in de ochtend- en avondschemering. Vanuit een hooggelegen uitkijkpost speurt hij het land af, vliegt vervolgens op en glijdt dan vlak over de bodem om op zijn prooidier toe te stoten. Hij doodt zijn prooi met zijn sterke klauwen die voorzien zijn van scherpe nagels. In Antarctica is het ‘s zomers bijna de hele dag licht. In de winter daarentegen is het bijna continu donker en ijskoud. De sneeuwuil is door zijn dichte verenkleed echter zeer goed beschut tegen de kou. In de gure, ruwe winter maanden is er maar weinig voedsel. De sneeuwuil kan het echter wel tot 40 dagen aan een stuk zonder voedsel uithouden. Hij teert dan op de tot twee centimeter dikke vetlaag onder de huid en spaart energie door zich zo weinig mogelijk te bewegen.

Kenmerken

De sneeuwuil is de grootste vogel in de arctische gebieden en broedt boven de boomgrens en op de eeuwig bevroren bodem van de toendra. Hij heeft voorkeur aan rotsachtig terrein waar hij vanaf een uitkijkpost de omgeving afloert naar prooidieren of vijanden, maar ook naar een gepaste nestelplaats. Het verenkleed van het mannetje is praktisch geheel wit en nauwelijks gevlekt. Het vrouwtje heeft een krachtiger gevlekt verenkleed: op de bovenzijde, de borst en de buik heeft zij donkere vlekken en banden. Zij is ongeveer een vijfde groter en een derde zwaarder dan het mannetje, en heeft langere klauwen.

Omzwervingen

De sneeuwuil is een zwerf- en trekvogel. Zowel bij te hoge populatiedichtheden als bij gebrek aan lemmingen wijkt hij uit naar het zuiden. Op gezette tijden gaan ook populaties van andere prooidieren plotseling achteruit waardoor de sneeuwuilen gedwongen worden het gebied te verlaten en naar het zuiden trekken. Vele jaren was de sneeuwuil in het noorden van Groot-Brittannië een zeldzame gast. In 1967 ontdekten vogelkenners een nestelend paartje sneeuwuilen op het Shetlander eiland Fetlar. De zorgvuldige beschermingsmaatregelen voor dit paar leidde tot een sterke uitbreiding van het aantal: na acht broedperiodes waren er 49 jonge vogels uit het ei gekomen waarvan er 23 in leven bleven. Jammer genoeg hebben alle mannelijke sneeuwuilen het eiland weer verlaten.

Voortplanting

Het mannetje van de sneeuwuil laat zijn aanwezigheid in zijn broedterritorium duidelijk blijken aan eventuele partners en andere mannetjes. Hij trippelt met opgerichte staart en een recht naar voren gebogen houding op een kleine heuvel op en neer en laat elke vier seconden zijn verdragende baltsroep- ‘gaauwh’ horen. In de ijle arctische lucht kan men zijn ‘gezang’ tot op tien km afstand horen. Soms jaagt hij andere mannetjes achterna en voert hij in de lucht kleine gevechten uit. Ook het vrouwtje verdedigt een territorium of een mogelijke partner tegen andere vrouwtjes. Het nest bestaat uit een kuil op de grond, meestal op een kleine heuvel of tegen een helling.

De sneeuwuil legt net als andere uilen eieren met tussen pozen. Hiermee wordt zeker gesteld dat ten minste de oudere, krachtigere kuikens in tijden van voedselschaarste overleven. Deze sterke kuikens dringen zich bij voedering naar voren, en doden zelfs jongere broertjes en zusjes, en eten ze op. Ook het aantal gelegde eieren hangt af van het voor handen zijnde voedselaanbod. In goede tijden kunnen er tien tot twaalf eieren gelegd worden, en drie tot vier in tijden van schaarste. De kuikens komen met dun, wit dons ter wereld. Soms wordt het broeden overgeslagen. Na 43 tot 50 dagen kunnen ze vliegen en na 60 dagen zijn ze zelfstandig.

Groepen:

  • Orde: Uilen
  • Familie: Echte uilen
  • Geslacht & Soort: Nyctea scandiaca

Afmetingen:

  • Lengte: 55-66 cm
  • Vleugelspanwijdte: 145-165 cm

Verspreiding:

De sneeuwuil broedt in het hele polaire arctische gebied, van IJsland en Scandinavië oostwaarts tot in Oost- Siberië, Alaska, Canada en Groenland.

Voortplanting:

  • Geslachtsrijp: met 2 jaar
  • Broedtijd: mei tot midden september
  • Legsel: 3-11 gladde, glanzend witte eieren
  • Broedduur: 32-34 dagen
  • Nestverblijf: ca. 25 dagen

Leefwijze:

  • Geluid: mannetje tijdens de paartijd: verdragend ‘gaauwh’, elke 4 seconden herhaald
  • Gedrag: jaagt vooral in de schemering en overdag
  • Voedsel: overwegend lemmingen, sneeuwhoenders en andere vogels
  • Levensverwachting: tot 15 jaar in het wild, tot 28 jaar in gevangenschap

Verwante soorten:

De sneeuwuil is niet nauw verwant aan andere uilen.

Bron afbeelding: Pixabay