Lieveheersbeestje

Het kleine, vrolijk gekleurde lieveheersbeestje treft men vaak in groten getale aan op groene planten, waar ze zich een weg eten door hele kolonies bladluizen. Alleen al in Midden-Europa zijn er ongeveer 80 soorten.

Leefomgeving lieveheersbeestje

Over de hele wereld komen weliswaar lieveheersbeestjes voor, maar men vindt ze in de grootste concentraties in gebieden met een eerder gematigd klimaat in Noord-Amerika en Europa. Ze zijn zeldzamer in het tropische regenwoud, waar juist weer veel andere insectensoorten te vinden zijn. De meeste lieveheersbeestjes zijn daar waar de mens de natuur ooit veranderd heeft, bijvoorbeeld in verwaarloosde tuinen, in jonge aanplant en in brandnetels of wilde bloemen. Daar is namelijk een overvloed aan bladluizen, het hoofdvoedsel van het lieveheersbeestje. Enkele Zuid-Afrikaanse soorten eten alleen plantaardig voedsel. Een recente ontwikkeling is de opkomst van lieveheersbeestjes-kwekerijen om boeren en tuinders een natuurlijke insectenverdelger te geven.

Lieveheersbeestjes als ongediertebestrijding

Lieveheersbeestjes worden ook elders in de wereld ingezet als ongediertebestrijding. Zo werd er in Californië aan het begin van deze eeuw een speciaal soort, Rhodalia cardinalis, uit Australië geïmporteerd om Citrus plantages te redden van de Australische schildluis.

Voedsel van lieveheersbeestje

De meeste soorten lieveheersbeestjes voeden zich uitsluitend met bladluizen. Dat zijn die kleine, onbeschermde insecten die uit bepaalde planten sap zuigen. Veel lieveheersbeestjes eten ook rode spintmijt die in de landbouw als schadelijk geldt. Bladluizen bewegen zich langzaam en kunnen zich niet verdedigen. Lieveheersbeestjes hebben dus geen speciale kwaliteiten nodig om hen te vangen. De larven van het lieveheersbeestje, die meer eten dan de volwassen kever, eten soms ook kleinere soortgenoten.

Ontwikkelingscyclus

De meeste lieveheersbeestjes paren in de lente of de zomer. Het vrouwtje legt dan een aantal eitjes, 3 tot 300, afhankelijk van de soort. Meestal worden ze in kleine groepjes zo dicht mogelijk bij een bladluiskolonie gedeponeerd. De larven van de tweestippelige lieveheersbeestjes – een soort die bij ons veel voorkomt – komen na vijf tot acht dagen uit. In de tien tot vijftien dagen daarna vreten ze zich vol met 350 tot 400 bladluizen. Daarna verpoppen ze zich, doorgaans op een weinig verborgen plekje. De hele cyclus duurt tussen vier en zeven weken, zodat er in een zomer meerdere generaties lieveheersbeestjes ontstaan. In gematigde klimaten overwinteren ze doorgaans als volwassen dieren. Miljoenen kevertjes komen samen in het zuidwesten van de VS, waar ze als een fel gekleurde laag de grond bedekken. Het zevenstippelige lieveheersbeestje, Coccinella septempunctata, is de algemeenste en wijdst verbreide lieveheersbeestje van Midden-Europa. Hij overwintert meestal op koele plaatsen binnenshuis.

Veldwaarnemingen

Lieveheersbeestjes zijn er in alle jaargetijden. Maar omdat ze ‘koudbloedig’ zijn, en ze soms in grote groepen samenkruipen om te overwinteren, ziet men ze hoofdzakelijk in de warmere maanden. Wie een lieveheersbeestje zoekt, vindt het kevertje vooral op planten die door bladluis getroffen worden, bijvoorbeeld rozen, kersenbomen en bonen. Wie goed kijkt, ziet beslist ook klompjes piepkleine oranje gekleurde eitjes van het lieveheersbeestje. Lieveheersbeestjes laten zich gewoonlijk niet storen als ze bekeken worden. Daarom zijn ze makkelijk te bestuderen, bijvoorbeeld bij het eten. In de winter ziet men het vaakst het zevenstippelige lieveheersbeestje, dat gewoonlijk in het vrije veld overwintert. Ze zitten vaak ook onder dichte, beschermende sparrentakken of onder boomschors. Het is heel leerzaam om het aantal stipjes op het dekschild en het soort plant waarop het diertje zit te noteren. Zo blijkt al snel welk soort kevertje er in en bepaald seizoen op een speciale plantensoort zit.

Soortbescherming

Hun bestand ging drastisch achteruit toen boeren en tuinders op grote schaal insecten verdelgingsmiddelen gingen gebruiken tegen bladluizen, die nu net het hoofdvoedsel van het lieveheersbeestje zijn. Inmiddels stijgt hun aantal weer. Steeds vaker wordt het diertje speciaal gekweekt om de bladluizen in boomkwekerijen onder controle te houden.

Groepen:

  • Orde: Kevers
  • Familie: Coccinellidae
  • Klasse: Insecten

Afmetingen:

  • Lengte: 1,5-12 mm
  • Kleur: verschillend, meestal een heldere kleur, variërend van oranje, rood, geel tot zwart
  • Vleugels:  1 paar dekschilden (elytra), 1 paar achtervleugels, de eigenlijke vliegorganen

Verspreiding:

Bijna overal ter wereld, voornamelijk op de gematigde breedtegraden. 80 soorten in Midden- en Noord-Europa.

Voortplanting:

  • Paartijd:  lente en zomer
  • Aantal eitjes: 3-300, afhankelijk van de soort
  • Ontwikkelingsduur: 5-8 dagen

Leefwijze:

  • Gedrag: overwintert in groepen
  • Voedsel: voornamelijk bladluizen
  • Levensverwachting: 1 jaar

Verwante soorten:

Er zijn ongeveer 80 soorten lieveheersbeestjes in Midden- en Noord-Europa; hun soortnaam heeft vaak betrekking op de stippen op hun dekschilden.

Bron afbeelding: Pixabay